Vererving het ontstaan

Over vererving wordt in veel boeken wel iets geschreven, maar toch blijft het voor vele mensen een moeilijke materie. Op deze site gaan ik proberen om de erfelijkheidsleer op een eenvoudige manier uit te leggen, zodat de materie voor meer mensen toegankelijk wordt.

Inleiding:
Op 22 juli 1822 werd de grondlegger van de erfelijkheidsleer, de Oostenrijker Gregor Mendel geboren. Door zijn experimenten met onder andere de erwt, kwam hij tot de ontdekking dat bepaalde eigenschappen steeds in een vast patroon terug te vinden waren in de nakomelingen van de erwt. De publicaties omtrent zijn experimenten trokken in 1866 echter nauwelijks de aandacht van zijn collega's.
Pas in 1901 werden, door de in Nederland geboren Hugo de Vries, de wetten opnieuw ontdekt. Hierna is aan deze experimenten een naam gegeven, die de ontdekker ervan alsnog benoemen. De "wetten van Mendel" waren geboren.

De wetten:
Om het eenvoudig te houden, ga ik hier de letterlijke wetten niet plaatsen. Mensen die ze toch een keer willen lezen, kan ik adviseren om bij een zoekmachine in te typen "Wetten van Mendel". De wetten geven in theorie een vast uitkomstpatroon. De praktijk kan echter totaal onverwachts zijn, maar daar later meer over.

De vogels:
Bij de vogels kunnen we de theorie van de erwt ook toepassen. Wel hebben we bij de vogels te maken met een aantal patronen die mede de uitkomst bepalen. Deze patronen houden zich schuil in de verschillende verervingsfactoren. Deze verervingsfactoren zijn: geslachtsgebonden vererving en autosomale vererving.

Geslachtsgebonden vererving:
De geslachtsgebonden vererving zorgt er voor dat een pop nooit een drager kan zijn van een andere kleurslag terwijl een man deze andere kleurslag wel bij zich kan dragen (een zogenaamde splitvogel).

Autosomale vererving:
Er zijn 2 soorten autosomale vererving, de recessieve en de dominante variant.

Autosomale recessieve vererving:
Bij de autosomale recessieve vererving kan zowel de man als de pop een andere kleurslag bij zich dragen. Deze kleurslag dient dan wel bij de beide ouders aanwezig te zijn en doorgegeven te worden aan de jonge vogel om het te zien.
Dit houdt dus in dat als of de man of de pop deze factor niet bij zich draagt, dat het jong deze kleurslag niet kan tonen. Hij draagt deze dan wel bij zich, wat hem dan op zijn beurt weer een zogenaamde splitvogel maakt.

Autosomale dominante vererving:
Bij de autosomale dominante vererving kan of de man of de pop een andere kleurslag bij zich dragen. 1 van de ouders dient deze kleurslag op zijn minst te dragen en hem door te geven aan de jonge vogel om deze op de jonge vogel te kunnen zien.

De uitkomst:
De uitkomst van een kweekkoppel is dus vooraf redelijk goed vast te stellen. Wel dient men dan te weten wat voor verervingsfactor een bepaalde kleur heeft. Dit bepaald namelijk hoe een jong er uit zal zien.
Voor de resultaten van de paringen verwijzen wij u naar het menu aan de rechterzijde.

Toevalstreffer:
Ondanks alle bovenstaande wetten en regels kan er toch een totaal andere kleurslag ontstaan uit de aan elkaar gekoppelde vogels. Dit kunnen we dan een toevalstreffer noemen. Mocht iemand zo'n "toevalstreffer" kweken, dan is het zaak, indien men dit wil, om deze vast te leggen voor het nageslacht. Hiertoe is het noodzakelijk dat men een duidelijke administratie bijhoudt en liefst zorgt dat men hulp krijgt van mensen die meehelpen met het uitzoeken van allerlei zaken omtrent het vastleggen van deze kleur. Men kan dan bijvoorbeeld denken aan een keurmeester.

Tot slot:
De bovenstaande uitleg is geen kompleet verhaal over de vererving. Er zijn nog diverse andere factoren die van invloed kunnen zijn op de uitkomst van een kweekkoppel. Het gaat echter te ver om dat hier allemaal uiteen te zetten. Ook wil ik nog meegeven dat de bovengeschreven teksten aangepast kunnen worden, als ik correcties of aanvullingen weet of krijg.